Wat je ‘hoogbegaafd ongeduld’ je nog meer vertelt
Gepubliceerd door Marina van Walsum - 12 oktober 2010
Deze keer begin ik met een persoonlijke ervaring om iets toe te voegen aan het onderwerp ‘ongeduld bij hoogbegaafdheid’. Ik heb, zoals velen, mijn hoogbegaafdheid pas serieus als mogelijkheid onder ogen gezien toen ik al volwassen was. Dus heb ik, jaren geleden, om die reden begeleiding gezocht, en gevonden. Onlangs werd ik door een mailuitwisseling met mijn toenmalige coach herinnerd aan het verloop van ons eerste gesprek en aan wat zijn allereerste feedback aan mij was. Dat was toevallig: Ik merk dat je mijn zinnen afmaakt.
Tijdelijk vergeten en best wel veelzeggend, die feedback… En niet doordat ik me destijds een beetje schaamde – omdat ik in mijn beleving betrapt werd op een trekje van me dat ik zelf een beetje afkeurde als niet erg beleefd - maar door de ontluiking nu van het perspectief van mijn coach, en door zijn aanvulling:
[…]
Ik kan in ieder geval melden dat ik Xi-beelddenkers ken, die door hun sterke associatievermogen en intuïtie mijn zinnen tegelijk met mij afmaken. Een soort bevestiging dat we op hetzelfde denkspoor zitten.
[…]
Het eerste wat hier opvalt is het verschil in toekenning van betekenis aan eenzelfde ‘fenomeen’. Als destijds door mijn coach (onverhoopt) een oordeel hierover was meegegeven, dan was het positief geweest: Je maakt mijn zinnen af; we zitten dus op hetzelfde denkspoor… in plaats van negatief, zoals ik het ervaren had: Oeps. Betrapt.
En ja, inderdaad, ik kan alleen maar beamen dat dit gedrag van mij bij een (andere) hoogbegaafde onbewust een vorm van bevestiging geven was. De nadruk ligt hierbij op ‘onbewust’. Zou het kunnen zijn dat het ondergeschoven kindje van ‘de hoogbegaafde persoonlijkheid’ – het diertje in ons – in zo’n geval je toch weer een dienst bewijst? Geldt het feit dat je andermans zinnen afmaakt terwijl het gesprek juist interessant is, als signaal?
Los van de verschillende oordelen die ons menselijke brein individueel heeft over deze gewoonte, zou je dan kunnen denken dat het ‘hoogbegaafde ongeduld’ onverwachts twee functies krijgt, met name van
- detector: Heb ik hier met een andere hoogbegaafde te maken? Kan hij het hebben ?Raakt hij geïrriteerd? Vindt hij het juist boeiend/spannend?
- lokroep: Hier ben ik. Ik kan je gedachten volgen en ze een stap voor zijn. Herken je me?
Vampieren!
‘Antennes uitzetten en lokroepen uiten’: als ik dat terug lees, kan in de invloed niet ontkennen van een reeks verhalen die me momenteel erg boeit, vrees ik. Wat ik interessant vind aan deze vampieren – want daar gaat de saga over – is de geslaagde mix tussen menselijke en dierlijke eigenschappen. Deze gewetensvolle, machtige, sterke, en buitengewoon mooie vampieren zijn namelijk evenveel mens als dier.
Toevallig is ‘snelheid’ één van die onderscheidende kenmerken die ze zorgvuldig verborgen houden voor de buitenwereld. Zo hebben die leuke vampieren zichzelf aangeleerd om beheerst en langzaam te lopen, en dat doen ze net zo lang tot ze zich veilig voelen onder andere wezens. Het op vol vermogen bewegen staat voor hen gelijk aan volledig vertrouwen geven, aangezien de eigen veiligheid ervan afhangt. Niet voor niets zien we dat voor het eerst wanneer de hoofdpersoon er zeker van is, dat de liefde van zijn menselijke vriendin voor hem onvoorwaardelijk is.
Er zijn overigens meerdere uiterlijke gewoontes die ze zichzelf hebben aangeleerd om niet op te vallen, zoals af en toe gaan zitten of de ogen afgepast om de zoveel seconden sluiten… En als we de metafoor nog verder willen doorvoeren: bij stressvolle situaties raken ze verlamd, waardoor er een tijdlang geen beweging meer bij komt – en dan zijn ze op hun kwetsbaarst. Als ze honger voelen, zijn hun ogen zwart en onheilspellend, maar worden ze goudkleurig als de honger gestild is (op een voor vampieren ‘vegetarische wijze’, laat ik maar toevoegen…). En tot slot het mooiste: als ze door het zonlicht worden geraakt, gaan ze glinsteren. De schrijfster zegt: ‘als diamanten’.
Bij ‘hoogbegaafd ongeduld’ kan het dus ook zo zijn dat je voor ‘een collega’ staat, als je jezelf zinnen hoort afmaken, en dit automatisch gebeurt, zonder dat je de conversatie traag vindt. Een beetje zoals bij die leuke vampieren, die hun natuurlijke snelheid pas tonen als ze weten (of als ze aanvoelen), dat ze onder elkaar zijn; of tenminste in de aanwezigheid van ‘sympathisanten’
: zoals je Bella, de menselijke vriendin, met een fors understatement zou kunnen beschrijven.


